’t Liep reeds tegen de middag. Fokke haalde hun schoven uit het
vooronder waar het om te stikken was.  Gezeten op de scheepsplank, 
begonnen ze te schoften.  Heerlijk dat schoften op de boot, terwijl ze
lichtjes wiegde.

De donderkoppen schoven als kokend schuim hoger dan de hemel in, 
wat niet veel goeds voorspelde.  Na schofttijd roeide Fokke tot aan de 
zwarte hoek even voorbij Temse, en wachtte daar op de vloed.  Juist op
het keren van ’t tij lieten ze de kuil zakken en wachtten. Free had niet 
zoveel geduld als Fokke en na amper een  half uurtje werd het anker
aan de steert gelicht.  Machtig!

Aan het einde van de steert zat de ink vol smakkende paling.  Fokke
en Free sleurden met de repen en  het anker de steert binnen boord en 
lieten de slijmerige buit in de beun glijden.  De paling was op wandel.
Vlug het anker in de rivier nu de vloed het hevigst ging.

De dreigende donderkoppen kregen nu een donkere uitdagende
houding en bleven schier onbeweeglijk boven hun hoofd liggen luie-
ren.  In de verte slingerden nijdige bliksems hoekige handtekeningen
in het grauwe zwoele zwerk.  Geen enkel briesje bracht enige koelte
aan.  Fokke trok zijn hemd over de kop en in zijn glimmende bruinge-
brande tors stond hij overeind op de buiting, en keek onrustig de 
hemel rond.  Uitzonderlijke najaarshitte kon uitzonderlijk onweder
meebrengen.  Free zat op de achterplecht dromerig voor zich uit te sta-
ren.  De grommelende donder naderde en volgde sneller op de blik-
semslingers.  Ze zwegen allebei.  Afwachten.  Bevangen stilte voor de 
storm.  Met zo’n gunstige vangst konden ze moeilijk afvaren, trouwens
ze zouden de wolf in de muil varen, het onweder tegemoet.  Er vielen
enkele grote regendroppels die op de boot en de glimmende rug van 
Fokke openpletsten.  Vijffrankstukken groot.  Fokke graaide de repen
en trok nu alleen het anker met de steert binnen boord.  Wederom een
hele klodder paling die smakkend de beun ingleed.  Rap terug dichtge-
stropt, anker in de rivier en allebei onder het dichte luik in het voor-
onder.  Geen wind, maar de regen roffelde nu lawaaierig op de voor-
plecht en stroomde neer op de buiting.  Ze lagen allebei met de rug 
tegen de spanten door de reten naar het water te kijken dat van de 
plecht in de boot stroomde.  Een stortvloed.  Een verblindende bliksem
gevolgd door een krakende donderslag deed hen opschrikken.  Op het-
zelfde ogenblik stak er een geweldige stormwind op die de donderwol-
ken uiteenscheurde en de boot deed schudden. Ze kraakte en zuchtte
in haar spanten, maar lag gespannen tussen kuil en anker.  De baren 
sloegen onrustwekkend tegen haar flanken.

Richard Dewachter
‘De Gribus bij de Schor’