Water en
groen
Water en groen zijn gezelschap en het is geen dromen als men ligt
onder de
notelaar en ziet hoe aan de ene zijde de weiden met het
stevige, brede gras vol
gele bloemen staan. En al die hoven waar alles
wild dooreengroeit rondom de mispelbomen ; als men
over de sloot
komt waar het water altijd hoog en stil staat, is men in een
wereld vol
benauwde schoonheid. Het gonst er van het onzichtbare leven van
bijen en vogels en het is alsof de
struiken en het gras in nooit onder-
broken gefluister zijn…
En achter dat alles liggen de dijken. Zij zenden naar de weiden en
akkers toe hun uitlopers van lis en planten waaruit
het water en de
wind ademen, en het gras dat hoog en sterk groeit, loopt naar
hen toe.
De lucht is er zwaar en scherp tevens, zoals nergens elders, geur van
lis en vochtig gras en de bijtende warmte die uitgaat van de blaren der
notelaars. Als ge die door uw handen wrijft dringt de groene, vlugge
reuk prikkelend door
het lichaam…
Een eindje verder, in en gewarrel van slijk en riet komen Durme en
Schelde samen
en stromen naar het Noorden. Daar is het alsof een
land ophoudt, mijn land in de hoek van twee waters. Er is niets dan
wind en water en riet met hoge pluimen waar in de zomerhitte de
karekiet slaperig zingt. Gij kunt er denken aan de zee, de wolken zijn
er soms zo groot dat zij een heel
dorp omvatten en de wind komt er
van zeer ver. Het water dat in vlugge gulpen
uit de Durme komt wordt
ineens opgenomen in de brede vloed van de Schelde ; Het is alsof het
stilstaat vooraleer in de stroming te verdwijnen. En in de herfst
stij-
gen scharen vogels uit de zompen en slaan zich met donker gekrijs
tussen de wolken en het water naar Klein-Brabant toe.
Filip De Pillecyn
‘Mensen achter de
dijk’