| Op de dijk Soms zie ik als ik beide ogen dichthoud en mij laat drijven op herinneringen de Schelde van mijn jeugd. Een dag vol najaar wanneer de vogels naar hun slaapplaats keren zonder muziek of vrolijkheid van veren. Wij hadden uren lang per fiets gereden langs bolle weggetjes naar dwerggehuchten en zagen hoe de wegel die wij volgden in gras ten einde liep, de dijk beneden. Wij hijgden uit en zwegen. Zonder teken of afspraak hoegenaamd liepen wij tegen de helling op tot waar wij moesten klimmen. Van op de dijkkruin zagen wij de Schelde. De eerste indruk was er een van ruimte. Ik weet nog, ik zag niets dan water, walend en onder geselingen schuimend marmer. Het sloeg met natte klapjes op de schoeiing maar in het midden was de stroming machtig gesmolten lood waarin de hemel schervelings wit met wemeling van wolken zich voortbewoog. Er was geen enkel teken van menselijk vertier of tederheden, geen schepen zwoegend op een zog van zilver. Drie dorpen aan de okeren overzijde zaten als korven warm en toegesloten achter een rastering van rijs en rieten. En onbereikbaar. Oude wind van boven en van terzijde sloot ons langzaam binnen een mantel van koud leer, terwijl wij stonden en heviger bestonden bij het water dan ooit voordien, deel van de elementen in het heelal geworden, opgenomen en zonder voorbereiding voortgedreven naar een verrukkelijker staat van leven. Wij konden uit de kelders van de diepte het onbeheerste ademen en zwelgen en, van de bodem af, de dubbelkoren van nereïden en najaden horen bij zwaar geruis gelijk gerucht van regen. Als voorwerpen van een voormalig leven lagen de fietsen in het herfstgras, vormen en tekens van verwonderde verkenning uit dagen van verstrooiing nagebleven. Bij elke stap die wij tenslotte deden, de schaarwal neer de helling naar beneden, rees in haar bed de Schelde telkens hoger tot zij onzichtbaar werd, met zoveel wolken in een bewegend evenwicht verenigd. Terwijl wij reden in een bijna vluchten, -een schild van meewind tegen onze ruggen,- bleef zij ons met verstoring achtervolgen met klappertanden en zwaarmoedig zuchten. Anton van Wilderode |