De dijkgravin
Door de Vlaamsche laagvlakte deint, majestatisch
kalm, de breede Scheldestroom. Geen rotsen vernauwen
zijn bedding ; geen heuvelen versperren zijn baan. Fier
en vrij stuwt hij zijn wateren door de vlakte, blonde watergod, heer en meester van de landerijen ommendom.
De oeverbewoners, taai en pezig, ontworstelden hem
na eeuwenlangen, koppigen kamp, lappen grond, die
ze omwalden door kloeke dijkruggen, met sluizen hier en
daar, ter regeling van den toevloed of den afvoer der
wateren. De hooge dijken, dammen van gestold slijk
en van zand, weerstaan aan het geweld van het wassend
getij en bij iedere volle maan glijden de stille booten
voorbij, hooger dan de kruinen van de notelaars en de
appelboomen aan den voet van den dijk.
Soms gebeurt het dat maan en wind, regen en tij samenspannen om het Scheldewater op te stuwen in driest
geweld, tot alles breekt. De oogst gaat verloren ; het
vee verdrinkt. De menschen vluchten of zoeken redding
en heil op het stroo of de pannen der daken van huizen
en schuren.
Doch de dijken worden hersteld, de wateren trekken
zich terug. Alhier, aldaar blinken nog ronde plassen zegels gestempeld door den waterbeheer op het perkament
van den feodalen grond-waar het draaikolkend water
trechters holde in den bodem : dat zijn de Wielen.
Marie
Gevers
Vertaling : Frans Verschoren
‘La
Comtesse des Digues’